Logo

Parochie Heilig Kruis

Laatste nieuws

Eucharistieviering op 9 januari in Stadskanaal gaat niet door

8 januari 2026

Lees meer


Lezing voor de dag: 17 januari 2026

Datum: 17 januari 2026

Lezingen van 17 januari 2026

Zaterdag in week 1 door het jaar

Gedachtenis van de heilige Antonius, abt
Antonius Abt wordt in Oost en West vereerd als de vader van het christelijke monnikendom. Hij werd omstreeks het jaar 250 geboren in Midden-Egypte uit rijke ouders. Na hun dood las Antonius een tekst in het Evangelie van Matteüs waar Jezus zegt: “Wilt u volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat u bezit en geef het aan de armen; en daarmee zult u een schat in de hemel bezitten. Kom vervolgens terug om Mij te volgen.” (Mt. 19, 21) Deze woorden veranderden het leven van de 20-jarige Antonius. Hij gaf zijn bezittingen aan de armen en trok zich in volkomen eenzaamheid terug aan de rand van de woestijn. Daar verbleef hij twintig jaar in gebed, vasten en boetedoening en vocht hij tegen de verlokkingen van de satan. Zijn radicale leefwijze trok vele bezoekers. Steeds meer mannen raakten zo onder de indruk van Antonius’ wijsheid dat ze zijn voorbeeld wilden navolgen. Zij vestigden zich in zijn nabijheid en smeekten hem om zijn geestelijke leiding. Aanvankelijk weigerde hij dat, maar gaf uiteindelijk zijn eenzaamheid op en vormde samen met zijn volgelingen een religieuze gemeenschap. Tijdens de christenvervolging onder keizer Maximinus Daza (311) verliet Antonius zijn communiteit en ging hij naar Alexandrië om daar de gevangenen en veroordeelden en hun familieleden bij te staan. Op verzoek van St. Athanasius streed hij er ook tegen het Arianisme, de dwaalleer die de goddelijkheid van Christus loochende. Na zijn terugkeer besloot Antonius verder de woestijn in te trekken. Op de berg Kolzim bracht hij de laatste jaren van zijn leven in volstrekte afzondering door. Antonius stierf in 356 op zeer hoge leeftijd.

Eerste lezing: Uit het eerste boek Samuël, 9, 1-4. 17-19 + 10, 1a.
In Benjamin leefde een man: zijn naam was Kis, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Alfiach, een Benjaminiet; hij was een vermogend man. Die man had een jonge zoon, Saul geheten, flink van lijf en leden; geen Israëliet kon met hem vergeleken worden: met kop en schouders stak hij boven allen uit. Eens, toen de ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren weggelopen, zei Kis tot zijn zoon: Ga met een knecht de ezelinnen zoeken. Saul trok door het bergland van Efraïm en door het land van Salisa zonder de ezelinnen te vinden. Vervolgens trokken zij door het land van Saälim en door dat van Jemini, maar ook daar vonden zij de dieren niet. Toen Samuël Saul zag aankomen, gaf de Heer hem te kennen: Dit is de man, over wie Ik u gesproken heb. Hij zal heersen over mijn volk. In de poort trad Saul op Samuël toe en zei: Wilt u zo vriendelijk zijn, mij het huis van de ziener te wijzen? Samuël gaf Saul ten antwoord: Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte; vandaag gaat gij met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat u op het hart ligt: Toen nam Samuël een kruikje olie en goot dat uit over het hoofd van Saul. Hij kuste hem en zei: U heeft De Heer gezalfd tot vorst van zijn volk Israël. Gij zult heersen over het volk van de Heer; gij moet het verlossen uit de handen van zijn vijanden rondom.

Tussenzang: Ps. 21 (20), 2-3. 4-5. 6-7.

Antifoon: Uw macht, Heer, geeft de koning vertrouwen.

Uw macht, Heer, geeft de koning vertrouwen,
uw bijstand maakt hem onzegbaar verheugd.
De wens van zijn hart hebt Gij altijd bewilligd,
de vraag van zijn lippen wijst Gij niet af.

Gij hebt hem bedacht met uw rijkste zegen,
zijn hoofd gekroond met een gouden kroon.
Hij vroeg U om leven; hij heeft het gekregen,
lengte van dagen tot honderd jaar.

Groot is zijn aanzien dank zij uw bijstand,
met luister en pracht overlaadt Gij hem.
Gij hebt hem gemaakt tot een zegen voor ieder,
de glans van uw Aanschijn brengt hem geluk.

Alleluia: Ps. 95 (94), 8ab.
Alleluia. Luistert heden naar de stem van de Heer en weest niet halsstarrig. Alleluia.

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus, 2, 13-17.
Eens ging Jezus naar de oever van het meer. Al het volk kwam naar Hem toe en Hij onderrichtte hen. In het voorbijgaan zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, aan het tolhuis zitten en sprak tot hem: Volg Mij. De man stond op en volgde Hem. Terwijl Jezus eens in de woning van Levi te gast was lag met Hem en zijn leerlingen ook een groot aantal tollenaars en zondaars aan, want er waren er velen die Hem volgden. De farizeese schriftgeleerden zagen dat Hij at met zondaars en tollenaars, en zij zeiden tot zijn leerlingen: Hoe kan Hij eten en drinken met tollenaars en zondaars? Jezus hoorde dit en antwoordde hun: Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar zondaars te roepen.

Terug naar overzicht
Deel deze lezing van de dag: